Warmtetransitie en gemeentelijke belemmeringen

posted 27 december 2020

Zuid-Holland worstelt met warmtenetten

In de paper ‘Warmtenetten in de energietransitie’ inventariseert Natuur & Milieu de knelpunten bij het realiseren van duurzame warmtenetten. Dat doet de stichting op basis van de ervaringen in Zuid-Holland, een provincie met veel kansen en ambities op het vlak van warmtenetten.
Hieronder de conclusies ervan.

4.1 Conclusies

Zeven Zuid-Hollandse gemeenten willen meer warmtenetten of bestaande warmtenetten uitbreiden in hun gemeenten, zo blijkt uit interviews met vertegenwoordigers van zeven Zuid-Hollandse gemeenten door Natuur & Milieu. Het aanleggen of uitbreiden van warmtenetten is nodig en nuttig omdat de gebouwde omgeving gasloos moet gaan worden. Warmtenetten zijn in Zuid-Holland een goed alternatief, omdat er een groot aanbod van restwarmte is en geothermie mogelijk is. Tevens is in Zuid-Holland relatief veel vraag naar warmte dichtbij de bron. In deze provincie lijkt het aanbod geen groot probleem: er is een enorme potentie voor restwarmte en geothermie. Het tempo wordt bepaald door de groei van de vraag en de aanleg van infrastructuur.

De geraadpleegde gemeenten ervaren diverse belemmeringen bij de realisatie van warmtenetten. Dit belemmert de lokale warmtetransitie. Deze belemmeringen zullen grotendeels ook van toepassing zijn in andere gemeenten en zijn daarom relevant voor de Rijksoverheid.

Gemeenten zien hun rol vooral als facilitator, hebben ambities en willen partijen bij elkaar brengen. Dat gemeenten ook gezien worden als dé regisseur van de warmtetransitie in de wijken lijkt minder te leven, zo blijkt uit de gevoerde gesprekken met de gemeenten. Mogelijk komt dit voort uit het gebrek aan middelen en instrumenten dat gemeenten nu ervaren.

De geraadpleegde gemeenten vinden dat zij nog niet goed in staat zijn om de warmtetransitie te realiseren. Hun rol en die van anderen is niet helder, onzeker, staat ter discussie en/of is niet goed geborgd in wetgeving. Bevoegdheden en/of taken ontbreken. Ook is er geen financieel instrumentarium beschikbaar. Daardoor dreigt het risico dat gemeenten geen keuzes maken maar wachten of kiezen voor de makkelijkste weg en concessies gunnen aan commerciële partijen die laaghangend fruit zien. Dit kan leiden tot onwerkbare en onwenselijke situaties.

De warmtemarkt is nu commercieel en commerciëler dan de gas- of elektriciteitsmarkt. Transport en netten zijn niet onafhankelijk, er is geen splitsing tussen transport en productie of levering. Bovendien zijn monopoliesituaties ontstaan en dreigen meer monopolies. Dit belemmert de warmtetransitie. Bijvoorbeeld omdat ‘witte plekken’ met een gasaansluiting in wijken overblijven omdat warmte voor die gebouwen commercieel niet aantrekkelijk is of omdat netuitbreiding onmogelijk wordt.

Gemeenten hechten aan onafhankelijkheid en die staat onder druk. De afnemer kan niet of nauwelijks overstappen. Regionale netbeheerders hebben niet de wettelijke taak het warmtenet aan te leggen en te beheren, waardoor gemeenten ook voor netbeheer afhankelijk zijn van commerciële partijen die vaak ook de warmte leveren en in het bezit zijn van een concessie voor bepaalde tijd.

Soms is deze partij ook producent van warmte. Aanbesteden en concessie- of opdrachtverlening kan, maar werkt in beperkte mate omdat de concurrentie beperkt is : weinig bedrijven kunnen een warmtenet beheren en een ervan kan een voordeel hebben door reeds aanwezig te zijn in de gemeente.

Gemeenten hechten aan duurzaamheid en hebben duurzaamheidsambities ook voor de verduurzaming van de warmtenetten en de –markt. Hiervoor ontbreekt beleid of wetgeving. Hierdoor ervaren gemeenten onzekerheid over de levering en/of productie op termijn, krijgen potentiële afnemers geen zekerheid over duurzaamheid en staat het realiseren van de gemeentelijke doelen onder druk.

Gemeenten hechten ook aan autonomie en zelfstandigheid maar in deze transitie zijn ze van veel partijen afhankelijk en hebben ze zelf weinig bevoegdheden of taken. Bewoners, eigenaren, corporaties, netbeheerders, warmteproducenten, warmteleveringsbedrijven moeten allemaal betrokken worden en een bijdrage leveren aan de lokale transitie. Diverse partijen kunnen de lokale transitie makkelijker maken, maar juist over hun rol bestaat onzekerheid. Zo kan het regionale transportnet voor warmte de lokale transitie in Zuid-Holland makkelijker maken maar dit net is onzeker en de vereisten voor aansluiting ook.

Ook op financieel terrein is er behoefte aan aanvullende regelingen, instrumenten en middelen. Voor de eigen organisatie en het lokale proces, voor het rondkrijgen van de businesscase en voor het tegemoet komen van bewoners en eigenaren.

In bijlage 1 treft u de lijst aan van alle belemmeringen die zijn genoemd tijdens de interviews. Gemeenten willen zich inzetten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving maar worden hierin belemmerd. De Rijksoverheid kan de lokale warmtetransitie aanzienlijk makkelijker maken en versnellen door veel van de belemmeringen weg nemen.

Bron: Stichting Natuur en Milieu, 2018-Paper-warmte-Zuid-Holland-7-augustus.pdf

——————————————————-

In de bijlagen volgen de opmerkingen vanuit de geïnterviewde gemeenten.

Uit gemeente Rotterdam bv. de opmerking t.a.v. het Niet Meer Dan Anders (NMDA-)principe:

Het NMDA is een globale gemiddelde berekening. Warmtenetten voor afzonderlijke of kleine woningen voldoen wel aan NMDA (de warmteleverancier wordt hierop gecontroleerd door ACM), maar in praktijk leidt dit tot hoge (vaste) lasten. De vraag bestaat of NMDA moet uitgaan van een standaard voor gas of juist van een duurzame standaard. Een alternatief is om uit te gaan van een kosten+ model. De tariefstructuur van warmte is tevens te rigide, daarmee ontbreekt de prikkel voor consumenten om energie te besparen. Het vastrecht is nu heel hoog en keuzevrijheid ontbreekt.

Certificering op CO2-uitstoot van warmte is nuttig. Momenteel wordt dit gedaan met de gecontroleerde kwaliteitsbepaling, het equivalent opwek rendement (EOR). Certificering kan eventueel gekoppeld worden aan de bronnenstrategie. De vraag is echter wel hoe ver certificering moet gaan. Naar de mening van Rotterdam is een fictieve administratie niet nuttig maar allocatie van certificaten naar verschillende aanbieders zou allicht kunnen werken.

Ook gemeente Leiden wil een certificaat op duurzaamheid:

Voor de gemeente is het lastig om los van het duurzaamheidsargument uit te leggen waarom woningen van het aardgas af moeten. Warmtenetten gaan vaak gepaard met hogere kosten doordat aardgas goedkoper is dan warmte. Wijzigingen in de tariefstructuur van energiedragers zijn nodig voor draagvlak: om aan te kunnen tonen dat van aardgas af gaan niet alleen maar geld kost. Daarnaast is het belangrijk om energiebelasting op basis van CO2-uitstoot op te stellen, voor warmtenetten is dan wel een certificaat nodig waarmee de duurzaamheid van de bron van de warmte wordt aangegeven. Een certificaat heeft daarnaast toegevoegde waarde voor consumenten omdat het feitelijke informatie geeft over de duurzaamheid van hun warmte.

De gemeente wil uiteindelijk toe naar open warmtenetbeheer in publieke handen, geregeld als een nutsvoorziening. Meerdere bronnen in een warmtenet zorgen voor meer leveringszekerheid en een duurzamer imago. ….
Binnen de gemeente is behoefte om onderscheid te maken tussen grootschalige en kleinschalige warmtenetten. Hiermee kunnen meer warmtebronnen aangesloten worden op warmtenetten en kunnen lokale initiatieven makkelijker tot uitvoering komen.